Atelier als plek

“We zaten buiten het Provinciehuis, in een atelierruimte. En die plek heeft wel wat gedaan. Als de mensen binnenkwamen, dan had je meteen een gesprek. Over de plek en over het afwijkend karakter van de plek. Het was slecht geschilderd, een beetje vervallen, ramen die bij een beetje wind spontaan open gingen. Maar ook een hele eigen inrichting, daar hadden we bewust voor gekozen. Vooral geen kantoor.

Dus dat zorgde ervoor dat mensen eigenlijk gelijk wat losser werden. Het was niet het provinciehuis, dus het was ook altijd een gesprek over de inhoud van de opgave en niet over ‘hoe zit de provincie erin?’. Je denk misschien ‘wat maakt een gebouw daarin nou uit?’, maar dat werkte op een of andere manier. Dat merkte je ook bij collega’s die opeens niet met een dossier binnen kwamen maar gewoon als collega als mens en vanuit die rol ging praten. Dus ik denk dat het gebouw een enorm verschil heeft gemaakt.”